Over genoeg hebben, geld als levensenergie en wat werkelijk waarde heeft
Er is iets veranderd in mijn relatie met spullen. Ik kan niet precies zeggen wanneer het begon. Misschien hoort het bij ouder worden, misschien bij alles wat ik de afgelopen jaren vanbinnen heb doorgemaakt. Waarschijnlijk is het alles bij elkaar.
Ik heb nooit iedere week winkelstraten leeggekocht. 😁 Maar als ik nu eerlijk kijk naar wat ik door de jaren heen heb verzameld, zie ik wel iets anders: ik had van veel dingen simpelweg meer dan ik nodig had. Meer kleding dan ik werkelijk kon dragen, meer schoenen dan mijn twee voeten nodig hadden, meer ringen dan er überhaupt aan mijn handen pasten en meer spullen voor in huis dan nodig waren om mijn huis fijn te laten voelen.
Ik hou van mooie dingen. Dat is eigenlijk helemaal niet veranderd. Alleen zat er vroeger gemakkelijker een beweging achter: wat mooi, dat wil ik hebben. En soms bleef het niet bij één. Terwijl ik nu iets moois kan zien, ervan kan genieten en gewoon verder kan lopen.
Dat verschil fascineert me, want ook vroeger wist ik dat ik meer had dan ik nodig had. Ik heb verspilling altijd gezien, ook bij mezelf. En toch deed ik het.
Waarom eigenlijk?
Kopen gaf me ook iets
Als ik daarop terugkijk, denk ik dat kopen soms meer deed dan ervoor zorgen dat ik een nieuw voorwerp had. Soms was er onrust, soms verveling en misschien soms een leegte die ik toen helemaal niet zo benoemde. Iets zoeken, iets moois vinden, kiezen en uiteindelijk kopen gaf even een kick. Iets nieuws om naar uit te kijken. Misschien maakte ik daarmee mijn leven soms ook een beetje mooier op momenten waarop ik het leven zelf niet altijd zo leuk vond.
En dat heeft zijn functie gehad. Ik hoef daar achteraf niet met een oordeel naar te kijken. Blijkbaar gaf het mij toen iets. Alleen duurde dat gevoel meestal niet zo lang. Het nieuwe werd gewoon. De jurk hing in de kast, de ring lag tussen de andere ringen en het mooie voorwerp kreeg een plek in huis. En op een dag zag je weer iets anders.
Geld heb ik overigens altijd gezien als levensenergie. Ook toen al. Ik had ervoor gewerkt en mijn tijd en energie ervoor gegeven. Ik wist dus soms heel goed dat ik die levensenergie uitgaf aan iets wat ik eigenlijk niet nodig had.
En toch deed ik het.
Weten is blijkbaar niet altijd hetzelfde als ernaar leven.
Verspilling zag ik ook buiten mezelf. Toen ik jong was en in de horeca werkte, deed het me pijn wanneer we goed eten moesten weggooien. Ik stond daar echt bij stil en vond het verschrikkelijk zonde. Maar ja, zo werkte het nu eenmaal. Mijn man werkt inmiddels in de afvalverwerking en daar zie je hetzelfde met spullen: goede spullen, bijna nieuwe spullen, soms zelfs dingen die nauwelijks zijn gebruikt. Mensen willen iets anders, iets nieuws, en het oude moet weg.
Ik kijk daar niet naar en denk: wat zijn andere mensen toch aan het doen? Ik heb er zelf net zo goed aan meegedaan. Misschien komt het daarom tegenwoordig juist zo binnen.
Toen stond ik tussen de spullen van mijn schoonmoeder
Toen mijn schoonvader in 2017 overleed, hielpen we mijn schoonmoeder met opruimen. De zolder, de garage, de kasten, dingen dubbel, spullen die jarenlang waren bewaard. Er gingen meerdere aanhangers vol weg.
Later verhuisde ze naar een kleiner appartement en opnieuw moesten er spullen weg. Toen ze uiteindelijk naar een verzorgingshuis verhuisde, gebeurde hetzelfde. Weer opruimen, weer kiezen, weer wegdoen. In het verzorgingshuis had ze uiteindelijk nog maar een klein gedeelte van alles wat ze ooit had verzameld om zich heen. Vooral haar foto’s waren belangrijk. Haar herinneringen. De rest bleek uiteindelijk gewoon… spullen.
Toen we afgelopen december opnieuw moesten opruimen, kwam dat besef echt bij me binnen. Daar stonden dingen waarvoor ooit was gewerkt en betaald, dingen die zorgvuldig waren uitgekozen en die iemand ooit graag wilde hebben. Sommige waren nog prima, sommige zaten zelfs nog in de verpakking.
En niemand wilde ze.
Ze verdwenen in containers.
Ik stond ertussen en dacht:
We nemen helemaal niets mee. Alles blijft hier.
En vrijwel meteen kwam er nog een gedachte:
Ik wil dit later niet voor mijn kinderen.
Als zij ooit mijn huis moeten opruimen, zal dat waarschijnlijk al emotioneel genoeg zijn. Mijn spullen kunnen voor mij een heel verhaal bevatten. Ik weet waar iets vandaan komt, wie erbij was en welke herinnering eraan vastzit. Maar die betekenis zit niet werkelijk in het voorwerp. Die zit in mij. Voor mijn kinderen kan hetzelfde ding later gewoon iets zijn waarvan ze denken: wat moeten we hiermee?
Sindsdien kijk ik steeds kritischer naar mijn eigen spullen. Vooral mijn kledingkast vind ik soms grappig. Want hoeveel kleding kan ik eigenlijk dragen? Ik werk thuis, tijdens mijn werk draag ik vooral mijn praktijkkleding en in het weekend gaan we vaak wandelen. Dan draag ik meestal makkelijke kleding of sportkleding.
Dus hoeveel van mijn kleding wordt werkelijk gedragen?
Best weinig. 😁
En toch kan een jurk jarenlang in mijn kast blijven hangen omdat hij mooi is, geld heeft gekost of omdat ik denk: misschien draag ik hem nog een keer. Ik heb zelfs jurken die volgens mij al tien jaar in mijn kast hangen en die ik nooit gedragen heb.
Dan kijk ik er tegenwoordig naar en denk ik: voor welk leven heb ik jou eigenlijk gekocht? 😂
Misschien verzamelen we soms spullen voor een leven dat we nauwelijks leven.
Mijn camper leerde me wat genoeg is
Mijn camper heeft me eigenlijk precies het tegenovergestelde laten ervaren. Wij zijn regelmatig met de camper weg en dan leven we samen op een paar vierkante meter. Ook tijdens onze reis door Hongarije ging dat heel gemakkelijk. We hadden weinig kleding bij ons, weinig spullen en alleen wat we werkelijk nodig hadden.
En ik miste niets.
We hadden een bed, wat kleding, goede schoenen, eten en een paar praktische dingen. En verder leef je gewoon. Je wandelt, praat, rijdt, ontdekt nieuwe plekken, eet samen en kijkt om je heen.
Misschien voel ik me daarom zo vrij in de camper. Thuis is er altijd nog wel een kast, lade of hoek waar iets bij kan. In een camper merk je onmiddellijk wanneer iets alleen maar ruimte inneemt. Daar ervaar ik iedere keer opnieuw dat een mens verrassend weinig nodig heeft om een heel fijn leven te hebben.
Daarom ben ik thuis rustig aan het opruimen. Geen enorme opruimactie waarbij morgen mijn halve huis verdwenen moet zijn. Ik ben 48 en mijn wens is om voor mijn zestigste ongeveer de helft minder spullen te hebben. Af en toe kies ik een kast en kijk ik: gebruik ik dit werkelijk? Wil ik hiervoor blijven zorgen? Heeft het nog betekenis voor mij?
Laatst ruimde ik een kast op met herinneringen aan de tijd dat mijn kinderen klein waren. Schoolwerkjes, tekeningen en dingen die ze hadden gemaakt. Mijn zoon was erbij en bij sommige dingen vroeg ik: wil jij dit hebben? Nee.
Toen dacht ik: het was van hem, hij wil het niet en ik hoef het eigenlijk ook niet te bewaren. Dus het mocht weg. Een paar dingen heb ik gehouden, de dingen die voor mij nu echt betekenis hebben. Misschien gaan die over een paar jaar ook. Dat zie ik dan wel.
Want de herinnering verdwijnt niet wanneer het voorwerp verdwijnt.
Die zit in mij.
En ik merk dat minder spullen voor mij steeds minder voelt als iets kwijtraken. Het voelt als lichter worden. Spullen nemen namelijk niet alleen ruimte in, ze vragen ook iets van ons. Een plek, onderhoud, schoonmaken, bewaren, organiseren. En ooit moet iemand beslissen wat ermee gebeurt.
Misschien raakt dat verlangen naar lichtheid ook aan iets wat ik al veel langer ken. Toen ik als jonge vrouw naar Spanje vertrok, had ik ongeveer één tas. Dat was mijn leven. Toen ik later naar Nederland kwam, liet ik opnieuw bijna alles achter. Weer één tas.
Ik herinner me vooral de lichtheid daarvan. Er was weinig om voor te zorgen, weinig om te bewaren en weinig dat aan me trok. Ik had weinig spullen en toch ontbrak er niets aan mij.
Nu, zoveel jaren later, na een leven waarin er steeds meer bij kwam, verlang ik opnieuw naar iets van die lichtheid.
Dat betekent voor mij helemaal niet dat ik zo weinig mogelijk wil bezitten. Ik hou van een goed bed, een fijne bank, lekker eten en goede spullen in mijn praktijk. Ik hou van kwaliteit en van ambacht. Als ik iets koop, heb ik tegenwoordig veel liever één goed ding dat jarenlang meegaat dan meerdere dingen die uiteindelijk ergens in een kast verdwijnen.
Laatst hadden we bijvoorbeeld een melkopschuimer nodig. Vroeger had ik er zomaar meer dan één kunnen kopen: de ene omdat hij goed was, de andere omdat die nét iets anders kon en misschien nog eentje voor reserve. 😁 Nu kochten we één goede.
Hij schuimt melk. We zijn blij. Klaar. 😂
Misschien is dat woord voor mij wel steeds belangrijker geworden:
genoeg.
Waarmee wil ik mijn levensenergie voeden?
Ik ben mooie dingen helemaal niet minder mooi gaan vinden. Ik kan nog steeds iets zien en denken: wat prachtig. Alleen volgt daar niet meer automatisch achteraan: dat wil ik hebben.
Soms koop ik iets. Soms kijk ik ernaar, geniet ervan en denk: mooi, maar niet voor mij.
Ik hoef schoonheid niet meer te bezitten om ervan te kunnen genieten.
Spullen hebben hun schoonheid niet verloren. Ze hebben hun betovering verloren.
En daardoor kom ik weer terug bij iets wat ik eigenlijk mijn hele leven al voel: geld is voor mij levensenergie. Voor mijn geld heb ik gewerkt. Er zitten uren van mijn leven in, mijn tijd, mijn aandacht en mijn energie. En geld kun je maar één keer uitgeven.
Wanneer ik het uitgeef, geef ik die levensenergie bovendien weer door. Wat voor mij een uitgave is, wordt voor iemand anders inkomen. Ook daar zitten iemands werk, aandacht, vakmanschap en levensenergie achter. Misschien kies ik daarom tegenwoordig ook liever voor kwaliteit, ambacht en dingen die werkelijk gebruikt worden en lang meegaan.
Maar steeds vaker besteed ik mijn levensenergie liever aan ervaringen: reizen, samen zijn, lekker eten, natuur, nieuwe plekken ontdekken en herinneringen maken.
Want spullen blijven uiteindelijk hier. En uiteindelijk blijft zelfs mijn lichaam hier.
Wat daarna komt, weet ik niet. Maar ik weet wel wat ervaringen tijdens mijn leven met mij doen. Ze raken me, veranderen me en worden onderdeel van mijn herinneringen, mijn lichaam, mijn verhaal, mijn geest of mijn ziel, hoe je het ook wilt noemen.
En toen ik daarover nadacht, besefte ik dat mijn vraag eigenlijk nog een stap verder gaat.
Het gaat voor mij niet alleen om: waar wil ik mijn levensenergie voor ruilen?
Maar vooral:
Waarmee wil ik mijn levensenergie voeden?
Voor mij wordt het antwoord steeds eenvoudiger. Met een leven dat ik werkelijk leef. Met mensen van wie ik hou, reizen, natuur, lekker eten en herinneringen die geen kast nodig hebben.
Misschien is rijkdom voor mij daardoor iets anders geworden. Minder alsmaar méér willen, en steeds beter kunnen voelen wanneer het genoeg is. Zodat er ruimte, tijd en levensenergie overblijven voor wat ik werkelijk wil leven.
En misschien zijn dat mooie vragen om af en toe bij stil te staan:
Wat is voor jou genoeg?
En waarmee wil jij jouw levensenergie voeden?