Spieren in balans

Zware botten zijn een fabel, maar zware spieren niet! Spieren bepalen maar liefst voor veertig procent ons totale gewicht. Ze kunnen in gewicht toe- of afnemen als we de spieren trainen.

De meeste spieren die we gebruiken, zijn niet de spieren die we trainen op de sportschool, maar de spieren die we de hele dag ongemerkt gebruiken. Zo knipperen de ooglidspieren de hele dag door, houden de nekspieren ons hoofd overeind en zijn de kaakspieren eigenlijk non-stop bezig omdat we praten, drinken of eten.

Veel bewegingen in het lichaam komen ook voort uit spierbewegingen, dit zijn bijvoorbeeld de hartslag en de darmbewegingen. Dit zijn ‘onwillekeurige’ spieren; ze werken automatisch.

De andere spieren in het lichaam worden ‘willekeurige’ spieren genoemd. Ze gaan pas aan de slag als we willen fietsen, iets willen pakken of willen opstaan. Via een zenuw (vanuit het ruggenmerg) wordt een prikkel naar een spier gebracht die ervoor zorgt dat we de goede spieren bewegen.

Na een dag worden onze spieren moe en verslappen ze. Zo worden ‘s avonds de oogleden zwaar en knikt het hoofd voorover.

De spieren die we kunnen aansturen, zijn skeletspieren. Ze zitten vast aan de botten, bestaan uit vezels en kunnen zichzelf aanspannen. Als de spier zich aanspant, wordt deze korter en dikker en trekt deze aan het bot of het gewricht. Hierdoor beweegt het bot, zetten we kracht, maken we ons langer of kunnen we buigen.

Spieren kunnen zich alleen maar aanspannen en aan een bot trekken. De spier kan dus niet duwen. De ene spier trekt het lichaamsdeel de ene kant op, de andere trekt het terug. Spieren werken in het licham dus in paren, bijvoorbeeld de triceps en de biceps. Als een spier zich ontspant, wordt deze slap en gaat een been of arm hangen.

Spieren hebben veel energie nodig om te kunnen werken. De energie halen ze uit voeding die we eten. Koolhydraten leveren ‘snelle’ energie voor de spieren, maar eiwitten en vetten zijn ook zeer belangrijke voedingsmiddelen voor spieren.

Zie ook: